Aamsveen ontsnapt als glazen stad van Twente

 

Enschede likt zijn wonden. De Amerikaanse bombardementen op de stad in 1943 en bevrijdingsjaar 1945 eisten dik tweehonderd levens. De textielindustrie is uit het lood geslagen. Wederopbouw, wederopbouw. Alle handen uit de mouwen! Deze krachtdadige roep om de draad weer op te pakken kostte in de vroege naoorlogse jaren het Aamsveen bijna de kop

 

De Nederlandse staat kocht in 1949 de gronden ten zuidoosten van lands belangrijkste textielstad op en gaf het beheer in handen van de Dienst der Domeinen. De ontginning werd – met in het achterhoofd nog de ellendige crisisjaren dertig - een mooie klus geacht voor de talrijke werklozen. Ook de ontheemde repatrianten uit Nederlands Indië kregen de rol toegedicht zich in het zweet te werken. En daarna? De negorij vlak bij de grensovergang aan de Knalhutteweg zou op de golven van de vooruitgang en in noeste arbeid omgetoverd worden tot een prachtig tuinbouwgebied.

 

Ruig en drassig

“Hoe het huidige Aamsveen te omschrijven? Ruig, verlaten en drassig. Ik kende het gebied niet. Een complete verrassing, zo’n veen dicht bij de stad”. Aan het woord is Richard Wermelink. Hij is de man die voor het Landschap Overijssel de wandelroute door het Aamsveen  heeft uitgezet.

Het zompige land aan de westflank van een
lage stuwwal ten zuiden van Enschede is maar
op het nippertje ontsnapt aan de graafmachines. Van de in 1833 nog aanwezige 900.000 hectare woeste grond was volgens een inventarisatie in 1942 nog slechts 124.000 hectare over. De troonrede van koningin Juliana in 1961 riep het op de schop nemen van lands laatste woestenijen pas een halt toe.
 

Het Aamsveen behoort tot een hoogveencomplex dat tienduizend jaar geleden na de laatste ijstijd tot ontwikkeling kwam. Het sponzige veenmos veroverde in steeds dikkere lagen een territorium van tweeduizend hectare. Tot begin negentiende eeuw liet de mens zich nauwelijks zien in het schier ontoegankelijke gebied. Aan Duitse zijde resteren in de reservaten Amtsvenn en Hündfelder Moor 420 hectare. De gebieden kregen in 1983 wettelijk natuurbescherming. Aan Nederlandse zijde ontfermt Landschap Overijssel zich sinds 1967 over 175 hectare Aamsveen. Van honderd hectare - voor vijftig jaar in erfpacht afgestaan - is de Nederlandse staat nog steeds eigenaar.

 

Stampen op kluunplaats

Het Aamsveen is het gebied bij uitstek van de kluunplaatsen. Ze heten Stroinksdel, Wagelaarsdel of misschien wel Zwartkotsdel. Al naar gelang de boeren gebruiker. Twaalf in getal, variërend in grootte van 95 tot 177 ­vierkante meter.

Op de met veldkeien bestrate kluunplaatsen veranderde - vanaf halverwege de negentiende eeuw - baggerturf in bruikbare brandstof. De aangevoerde drap werd met water zo goed mogelijk tot een homogene brei gemaakt en ingedikt. Waarna het aanstampen kon beginnen. Paard of os, en in kleinere kluungaten de mens, kluunden (aanstampen) het veen tot een egale massa om het vervolgens te drogen en er turven van te steken. De turven werden tot slot naast de kluunplaats gedroogd.

In veengebieden elders werd de baggerturf meestal bruikbaar gemaakt in een mengbak in plaats van op de kluunplaats.

 

Desolate leegte

Routeman Richard Wermelink uit Delden liet zich aangenaam verrassen bij zijn eerste kennismaking met het veen aan de grens tussen Enschede en Glanerbrug.

 

Landgoederen van textielfabrikanten, die zijn in het zuidoosten van Twente volop te verwachten. Maar wie vermoedt nou dat op amper vier kilometer van de stad de bebouwing plotseling plaats maakt voor desolate leegte?
“Heel apart, dat Aamsveen. Het gebied doet mij denken aan de Engbertsdijksvenen bij Vriezenveen. Daar was ik in mijn jeugd, ik kom uit Tubbergen. De Engbertsdijksvenen zijn uitgestrekter. In het Aamsveen vind je meer stukken bos, wat voor extra variatie zorgt”.
Vrijwilliger Wermelink heeft plezier in het uitzetten van wandelroutes voor Landschap Overijssel. Zijn motieven: je doet iets voor de maatschappij en dwingt jezelf op pad te gaan naar reservaten waartoe je geen loop hebt.

Boeiende overgangen

“Dalfsen belt. Wil graag een route. Ik vraag dan een stafkaart en wat informatie over het gebied. Het uitzetten van de tocht kost een middag. Soms ook twee dagen”.
In zijn routes probeert Wermelink zo veel mogelijk aspecten te laten zien. Vaak zoekt hij randen op vanwege de boeiende overgangen. Dwars door het bos is prima. Maar vooral niet te lang. Afwisseling houdt de wandelaars fris. Natuur, landschap en historie rijgen zich aaneen.
“Aan de ene kant de stuwwal en de lange rechte wegen naar Enschede. Aan de andere kant het veen. De ontginningswegen zijn gebruikt voor het turftransport naar de stad. Het overgangsgebied is landbouwgrond”.
Historische elementen maken voor Wermelink het landschap spannend. “Op de Lonnekerberg
heb je een monument van een textielfabrikant. Dat geeft iets extra’s. In het Aamsveen zie je de dammen waarop vroeger de turf te drogen is gelegd. En veenwallen van recenter datum om verdroging te voorkomen. Als herinnering aan zes verdwenen dennen heeft Landschap Overijssel zes eiken geplant. De zes grove dennen waren een bekend fenomeen en komen op diverse schilderijen voor. Tijdens de oorlog zijn de dennen in de kachels verdwenen.
Of de eiken een stukje geschiedvervalsing zijn? Ach, je kunt de aanplant ook zien in de geest van: ik heb een steen gelegd op deze aarde”.

 

Terugkeer boomkikkers

Dankzij een poelenproject wemelt het Aamsveen weer van de boomkikkers. De soort houdt winterslaap in de vochtige bodem en plant zich in april en mei voort. Tot wel duizend eieren worden onder water aan planten vastgehecht. In de ­vroege zomer komen de kikkervisjes – met alle gevaren van dien - aan de oppervlakte.

De zeldzame boomkikker vraagt specifieke leefomstandigheden. Water is nodig voor de voorplanting, bos als schuilplaats en struwelen om te jagen. Landschap Overijssel organiseert in het seizoen een avond waarop de honderden boomkikkers van het Aamsveen te horen zijn.

 

Gagelstruweel

Het Aamsveen is een gebied waarin de natuurlijke hoogveenvorming weer hersteld kan worden. Op dit vlak geniet het terrein dezelfde status als de Grote Peel op de grens van Limburg en Noord-Brabant. Het reservaat is niet zo schraal als het pure hoogveen bij Barger, Fochtelo en Vriezenveen. Maar daardoor des te verrassender. Bijna zestig hectare heide met plassen en moerassen wisselt zich af met veertig hectare gras in diverse vegetatietypen en ruim vijftig hectare hoge opslag. Tijdens de wandeling blijkt elk hoekje bij nader inzien toch weer net een tikje anders dan het vorige. Eiken trekken op met elzen, dan weer overwegend met berken of beuken. Wie gevoelig is voor niesbuien rekenen in het voorjaar op bijna vier hectare gagelstruweel en uitbundige wilgenbloei.
Op een derde van de ruigten regeert pijpenstrootje. De venen bieden thuis aan ree, wezel en bunzing.

Af en toe laat de waterspitsmuis zich zien. Op de vochtige terreinen leven verschillende soorten kikkers, salamanders, hagedissen en in opmerkelijke aantallen adders.
De Twentse Vogelwerkgroep telt in het Aamsveen zeventig broedvogels. Van wespendief en bosuil en tot wielewaal en appelvink. Tot de waargenomen rode lijstsoorten behoren dodaars, watersnip en nachtzwaluw naast groene specht, roodborsttapuit en geelgors. Blauwborsten, klapeksters en kiekendieven, trekt het veen. Tot en met tijdens de trek kraanvogels toe.

 

 terug naar home pagina