Het Buurserzand is eigendom van Natuurmonumenten en is het restant van een uitgestrekt heidelandschap. Deze heide vormde in het verleden een belangrijk onderdeel van het esdorpenlandschap, waarvan we nog restanten vinden rond het dorp Buurse en in het dal van de Buurserbeek. De omgeving van het Buurserzand is begin 1900 tot 1940 ontgonnen tot landbouwgebied en maakt een relatief grootschalige indruk. 

Het Buurserzand bleef gespaard van ontginning omdat de familie van Heek het gebied gebruikte als jachtgebied en het in 1929 aan natuurmonumenten schonk. De familie van Heek was oorspronkelijk van plan om er een open lucht museum / recreatiegebied van te maken. Er waren al enkele objecten verzameld: de Bommelas, een Bentheimer markepaal en de inmiddels weer verplaatste Stendermolen.

Het Buurserzand is een gevarieerd open heidegebied met goed ontwikkelde leefgemeenschappen van natte en vochtige dopheidevegetaties en droge struikheidevegetaties, stuifzanden, jeneverbesstruwelen, vennen en drogere eikenberkenbossen.

Het Buursermeertje

Het Buursermeertje is geen natuurlijk ven, maar eind vorige eeuw gegraven, waarschijnlijk bedoeld als recreatie ven voor de textielarbeiders. Door de ondoordringbare keileemlaag in de ondergrond blijft het ven gevuld met regenwater.
Er komt dus wel (zuur) regenwater in, het water verdampt en de zuurresten blijven achter. Het resultaat is dat het water dan ook zeer zuur is (bijna azijnzuur) en vermoedelijk de reden dat ondanks de recreatiedruk er nauwelijks sprake van ziektekiemen. Er zitten door de zuurgraad ook geen kikkers in het meertje.
Aan de noordkant van het meertje groeien veenmossen en daar komen verschillende libellen voor zoals de zwarte heide libelle, de keizerlibelle en het juffertje.

De belangrijkste flora in het Buurserzand op een rij:

Dopheide (Erica)

Het Buurserzand is een van de weinige natuurgebiedengebieden waar nog in overvloed natte dopheide vegetatie voorkomt. Voor alle soorten heide geld dat de bodem voedselarm moet zijn. Dopheide ontstaat op die plaatsen waar de bodem een ondoordringbare laag bevat. Dat is in het Buurserzand te danken aan het feit dat de bodem voor een deel keileem bevat, waardoor het regenwater blijft staan.

Struikheide (Calluna)

De struikheide komt voor op de drogere zandgronden. Struikheide werd o.a. gebruikt om bezems te maken. De Latijnse naam van struikheide is Calluna vulgaris. En Calluna komt van het Griekse "hallunein" = reinigen.

Jeneverbes (Juniperus)

Het Buurserzand is een van de weinige gebieden in Nederland waar je nog redelijk wat jeneverbesstruwelen kunt aantreffen. De jeneverbes kan meer dan 100 jaar oud worden, en de meeste zijn dat ook in dit gebied. Jammer genoeg komen er geen jonge struiken meer. De biotoop is niet schraal genoeg want de jeneverbes kwam op als een heideveld overbeweid was. De struiken staan er nog redelijk bij, krijgen ook nog jeneverbessen maar er worden geen jonge kiemplanten meer aangetroffen zodat ze op termijn zullen verdwijnen. Er is alleen nog sprake van vegetatieve voortplanting (via de wortelstokken). De jeneverbes is een beschermde struik. De jeneverbes doet er 3 jaar over om rijp te worden. 1e jaar groen, daarna groenblauw en uiteindelijk donker blauw, zoals we ze aantreffen in de zuurkool.. De naam is ontleend aan het feit dat de bessen ook gebruikt werden om de jenever te aromatiseren.

Het Buurserzand heeft ook een paar zeldzame planten, die op de rode lijst van beschermde planten staan.

Beenbreek

Ten Noorden van het Buursermeertje staat de Beenbreek: een lelieachtige, die bloeit in juli. De naam heeft deze plant gekregen omdat de schapen, die graasde op hei waar Beenbreek staat vaak hun poten braken en dat werd geweten aan het eten van deze plant. Beenbreek groeit op moerassige grond, waar weinig kalk in de bodem zit, zodat de schapen hun benen braken t.g.v kalkgebrek.

Klokjesgentiaan

Waar je Beenbreek aantreft is de biotoop ook geschikt voor klokjesgentiaan. Bloeitijd augustus. Dit blauwe klokje komt alleen voor in vochtige lemige of venige grond.
Zowel het gentiaanblauwtje als de klokjesgentiaan gaan hard achteruit door de verdroging.
De klokjesgentiaan dient als voedselplant voor een prachtig vlindertje: het gentiaanblauwtje. Het gentiaanblauwtje heeft een heel aparte voortplanting: De vlinder legt eitjes op de, boven de dopheide uitstekende, klokjesgentiaan. Het jonge rupsje vreet de zaadkop op en laat zich in de hei vallen waar het rupsje, dat zoetig vocht afscheid, wordt opgepikt door een steekmier. In het mierennest likken de mieren aan het zoete vocht terwijl het rupsje zich intussen volvreet met mierenbroed. Na de verpopping komt een einde aan deze vreemde samenwerking. De vlinder scheidt een vreemde geur af en loopt dan het risico door de mieren te worden aangevallen. De vlinder moet zich dan ook snel uit de voeten maken en het mierennest verlaten.
Klokjesgentiaan komt ook voor in het Haaksbergerveen, maar daar zijn geen gentiaanblauwtjes gezien.

Ronde Zonnedauw

De vleesetende pioniersplant is vooral op afgeplagde stukken goed te zien. De zonnedauw voedt zich met eiwit van insecten dat het vangt met vocht van de blaadjes. Het is een beschermde plant. Er bestaan meerdere soorten in Nederland: de Kleine zonnedauw (Drosera intermedia) en de Ronde zonnedauw( Drosera rotundifolia).
Voor de groei en om water vast te houden zijn eiwitten nodig. Zonnedauw groeit op extreem voedselarme grond (= veen). Zonnedauw komt aan de eiwitten door "vlees" te eten. De Zonnedauw heeft talloze kleine tentakeltjes. Het produceert een soort kleverig vocht dat insecten aantrekt, maar dat op insecten als lijm werkt. Als er een insect inkomt gaat deze spartelen en hoe harde de mug spartelt hoe vaster hij komt te zitten. In het vocht zit ook wat mierenzuur waardoor er wat eiwitten van de prooi worden opgelost. Door het vrijkomen van deze eiwitten komen er verteringsappen vrij die de eiwitten van het insect verteren. Dit proces is vergelijkbaar met het verteringsproces bij de mens: er is altijd wat maagzuur, maar pas als gegeten wordt komt er meer vrij. Van het insect blijft alleen nog het onverteerbare pantser over

Kleine zonnedauw (Drosera intermedia ): samen met Wit snavelbies in het veen of op zandgrond samen met Wolfsklauw (Lycopidium). In zeer voedselarme omstandigheden. Vangt meestal kleine insecten zoals muggen omdat dit de enige insecten zijn die dan voorkomen.

Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia) komt voor in veenmos en in de buurt van lavendelheide, maar ook venige zandgrond, dwz iets voedselrijke omstandigheden. Vangt ook grotere insecten en zelfs kevers

OrchideeŽn

Aan de noordkant van het natuurreservaat heeft Natuurmonument een paar kleine weilandjes die aan de natuur zijn teruggegeven. Ze zijn tot hooilandjes ontwikkelt daar komen sinds een paar jaar de gevlekte orchis voor, die hier uitbundig bloeit.

Vogels

Er komen zeer veel soorten vogels voor die in of om het Buurserzand broeden en of foerageren. Wulp en roodborsttapuit, paapje, alle soorten spechten, buizerd, geelgors, boompieper, graspieper, boomleeuwerik enz enz.

 

De heide is anders dan de meeste mensen denken volledig door toedoen van de mens ontstaan. De heide is een door de mens gemaakt landschap en wat de mens maakt zal hij ook zelf moeten onderhouden.

Geschiedenis van de heide

Uit bodemonderzoek is bekend dat na de laatste ijstijd ongeveer 1500 jaar voor Chr. de bodem op de plekken waar het droog was, bedekt was met bomen als de berk, de grove den, de eik, de hazelaar enz
In die tijd kwamen ook de eerste nomaden: rondtrekkende landbouwers in onze streken. Zij beschikten niet over adequaat gereedschap. En dan is een eenvoudige en effectieve methode om vruchtbare landbouwgrond te krijgen het bos in de brand te steken. We noemen dat een brandcultuur.
Na een brand is de aarde door de as een beperkte tijd goed vruchtbaar maar na twee, maximaal 3 jaar is het voorbij en moest worden omgezien naar een nieuw stuk gebied.
Er bleef dus een kale, uitgeputte en voedselarme grond achter. En dit is toevallig een ideale omstandigheid voor het heideplantje, want de Erica soorten hebben een voedselarme grond nodig met veel licht.
In de loop van de volgende eeuwen ging de ontbossing versneld door, omdat de bevolking groeide en omdat er bijv in de ijzertijd veel brandstof nodig was om het erts te smelten.
Door de in de landbouw nog steeds toegepaste brandcultuur ontstonden dus steeds meer heide velden en daar waar de grond volledig uitgeput was ook stuifzanden zoals op de Veluwe.

Na de ineenstorting van het Romeinse Rijk volgde een volksverhuizing waarbij onze streken bijna ontvolkt raakten. Er ontstond binnen 300 jaar weer een landschap als 1500 jaar voor het begin van de jaartelling nl. bos.
De huidige heidevelden zijn dan ook ontstaan rond het jaar 900. Dat blijkt uit pollenonderzoek. De bevolking gebruikte in die tijd nog steeds de brandcultuur en er ontstonden wederom heide velden. Rond die tijd ontdekte men echter ook dat dierlijke mest waarde had om de bodemstructuur en de vruchtbaarheid te verbeteren.
De mest werd verkregen door het houden van schapen. Deze graasden overdag op de heide en gingen 's nachts in de potstal. In de stal kwam de meeste mest terecht; om de schapen droog te laten staan werden er laag op laag heideplaggen ingebracht. De mest werd opgepot en aan het einde van de winter stonden de schapen met de kop tegen het dak. In het vroege voorjaar werd de stal leeggeruimd en werd de mest over de akkers uitgespreid. De akkers werden door deze methode ongeveer 10 cm per 100 jaar opgehoogd; we noemen die opgehoogde akkers essen en er zijn essen die wel een meter boven de omliggende grond uitsteken. Een mooi voorbeeld daarvan is nog het essenlandschap bij de Klaashuisstraat, net voor de Buurserbeek, waar de schapenstal stond van de marke Hones.

Twentse coulisselandschap

Akkers werden aangelegd door de boomopslag te verwijderen en de stobben aan de kant te leggen. Deze boomstronken liepen daar weer uit en mede daardoor zijn de houtwallen ontstaan. Houtwallen zijn kenmerkend voor het Twentse coulisselandschap. Die houtwallen hadden een belangrijke functie, want door een houtwal te voorzien van meidoorn en sleedoorn werden ze ondoordringbaar en geschikt om vee op te laten grazen zonder toezicht. Met de uitvinding van het prikkeldraad zijn de houtwallen dan ook grotendeels weer gesloopt.

Het heide gebied werd groter en groter omdat voor 1 ha akker ongeveer 10 ha heidegrond nodig was. Door het begrazen en plaggen bleef de heide in perfecte conditie: de bovenste voedselrijke laag werd iedere keer door het plaggen verwijderd en door het begrazen werd er geen boom ouder dan een jaar.
Zoals gezegd: een voorwaarde voor heide is een voedselarme grond met veel licht.
Als er echter te intensief werd geplagd dan kwam er ook geen heide meer op en ontstonden er stuifzanden en kwam ook de jeneverbes in zicht.
De Marken hadden ook als taak om het gebruik van de heidevelden te reguleren.

Onze voorouders gebruikten hun gehele omgeving om te overleven: de heide en de schapen op de heide werden voor vele doelen gebruikt, denkt u maar aan:

bullet

plaggen werden gebruikt als brandstof,

bullet

plaggen werden gebruikt als dakbedekking en in lemen wanden werden heidestengels verwerkt.

bullet

jonge hei was veevoer voor koeien,

bullet

uit heide kwam de kleurstof rood,

bullet

het maken van bezems, (de Latijnse naam van struikheide is Calluna vulgaris. De naam Calluna komt van het Griekse "hallunein" = reinigen),

bullet

in de heide werden bijen gehouden met honing als gevolg

bullet

hei was een smaakmaker bij de bereiding van bier,

bullet

het wol van de schapen voor kleding was heel belangrijk.

Kunstmest

Rond 1880 veranderde de landbouw drastisch: er kwam kunstmest beschikbaar (o.a het zgn. chilisalpeter uit Zuid-Amerika) en er kwam goedkope wol uit AustraliŽ waardoor de schapenhouderij bijna op de fles ging. Het heidelandbouwsysteem werd door de kunstmest uitgeschakeld. En men besloot de heide te ontginnen..
Rond 1888 werd de Nederlandse Heidemij en in 1899 Staatsbosbeheer opgericht. Aan de naam Heidemij zou je nu denken ter bescherming van de hei, maar bij de Heidemij was ontginning de bedoeling.
Staatsbosbeheer ging de stuifzanden te lijf door er dennen op te planten en zo ontstonden er grote akkers en veel bossen en ging de heide verloren. In 1850 was er nog 600.000 ha hei, in 1938 nog maar een kwart daarvan en nu nog 40.000 ha = 4x de oppervlakte gemeente Haaksbergen.
De meeste heidevelden zijn nu beschermde natuurgebieden

 

Zoals al gezegd: Heidevelden zijn cultuurgronden: de mens heeft de heide gemaakt en zal de heide dus ook moeten onderhouden. Als de natuur zijn gang gaat verdwijnt de heide vanzelf.

 

De bedreiging van de hei is de verrijking van het milieu met voedingsstoffen en het wegnemen van het licht door bomen. Er sprake van vergrassing met pijpenstrootje (Molinea) en bochtige smele.
Een belangrijke verrijking met voedingsstof gebeurt door de (zure) regen. Zure regen bevat stikstof (40 kg per ha per jaar) en dat is een belangrijke voedingsstof. Voedingsstoffen betekent plantengroei van sterkere planten zoals Molinea (pijpenstrootje) Bovendien ontstaat er bomengroei die het licht dat voor de heide nodig is wegneemt en de cirkel is gesloten.
De intensieve landbouw met als gevolg ontwatering, inwaaien meststoffen, enz doet planten die afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden zoals Beenbreek, gentiaan, zonnedauw en orchideeŽn verdwijnen.

Een andere bedreiging is het heidehaantje, een kever van 6mm groot, waarvan in 1990 een plaag is geweest die vooral de struikheide heeft aangetast. De uitwerpselen van het heidehaantje en het afsterven daarvan veroorzaakt bovendien weer een verrijking.
Daarnaast spelen recreatiedruk en militaire oefenterreinen die op de economisch waardeloze hei zijn aangelegd een belangrijke rol bij het verdwijnen van steeds meer heide.

Beheersmaatregelen

Er is een aantal beheersmaatregelen. De belangrijkste zijn:

bullet

Aanleggen bufferzone,

bullet

Verwijderen boomopslag: machinaal of handmatig.

bullet

Afplaggen. (Dit is heel goed maar duur nl. É 5000,- /ha. (Plagsel kan tegenwoordig hergebruikt worden. Zie hieronder Plagsel en de zware metalen.)

bullet

Afbranden is minder geschikt want dat raakt de totale leefgemeenschap op een heide en geeft verrijking, zodat op de afgebrande stukken juist meer gras dan heide kwam.

bullet

Machinaal maaien is een mogelijkheid, maar moet continu gebeuren omdat er niets
aan de bodem veranderd.

bullet

Begrazen is 20 jaar geleden opnieuw ingevoerd, maar alleen begrazen olv een herder is een oplossing, anders blijven de schapen op een plek en doen zich alleen te goed aan de lekkerste stukken en laten de andere stukken voor wat ze zijn. In het jaar 2000 is er in het gebied tussen de Stendermolenweg, Sekmaatweg en Langenbergweg een begrazingsproject gestart met Herefordkoeien.

In het Buurserzand heeft Natuurmonumenten gekozen voor afplaggen.

Plagsel en de zware metalen

Bepaalde milieugroeperingen vertellen graag het verhaal dat de heideplagsel soms zo ernstig vervuild is door zware metalen dat het niet meer hergebruikt kon worden en als chemisch afval gestort moest worden. Daarbij wordt dan tevens gesuggereerd dat die zware metalen in de zuren regen zaten. Dat is echter geheel onjuist.
De achtergrond is het volgende:
Door de (vooral vroeger zwavelhoudende) zure regen werden de complexe kalkzand verbindingen waarin zware metalen normaal in de bodem zitten, verbroken en kwamen de zware metalen vrij.
Doordat er in de milieuwetgeving in het verleden stringente eisen gesteld werden aan de hoeveelheid vrij aanwezige hoeveelheden aluminium, cadmium enz ontstonden er ook plotseling problemen met het heideplagsel. De normen waren echter bedoeld om maatstaven te hebben om grondvervuiling te kunnen aanpakken en waren dus niet bedoeld om heideplagsel tot chemisch afval te bombarderen. Intussen zijn deze normen tot reŽle waarden opgetrokken.

Plaggen gebeurt met kleine stukken tegelijk, zoals goed te zien in Buurserzand. Reden is de leefgemeenschap van kleine dieren te laten overleven.
Belangrijk is dat de laag die weggehaald wordt niet te dik is. De zaden van de heideplanten dienen nog in de grond te zitten.
Bij de parkeerplaats de Molenbelt, in het verlengde van de Oude Enschedeseweg nabij de Stendermolenweg is een stuk cultuurgrond aan de natuur teruggegeven. Middels grondboringen en oud kaart materiaal zijn de oude vennen weer teruggevonden en weer in ere hersteld. Naast de vennen groeien weer moerashertshooi, veelstengelige waterbies, Kleine zonnedauw. Op het vochtig grasland staan de moerasrolklaver, veldrus enz
De hoop is gevestigd op het weer terugkomen van de boomkikker. De Bruine kikker, de Heikikker en de kleine watersalamander zijn intussen gevonden.

Langs de Stendermolenweg zijn in het kader van de ruilverkaveling een aantal weidelanden omgevormd tot natuur gebied. Op een deel van de voormalige akkers worden in de zomer oude gewassen ingezaaid als zomertarwe, haver, rogge, gerst, mosterdzaad, spurrie en het voor bijen belangrijke gewas, Phacelia (blauw)
Het gebied nabij de Rietschotweg is nu ook in handen van Natuurmonumenten.

 

 

Buurserzand & Witte Veen

 

Dit natte heidegebied is door zijn omvang uniek in West-Europa. De heide wordt afgewisseld door jeneverbesstruweel en enkele percelen oud eiken-grove-dennenbos.

 

Oude heidezaadjes
Rond 1995 was meer dan de helft van de dopheide van het Buurserzand overwoekerd door gras. Doordat een deel is geplagd, konden oude, blootgelegde heidezaadjes weer ontkiemen. Ook andere planten die kenmerkend zijn voor vochtige heide, zoals beenbreek, zonnedauw en de zeldzame klokjesgentiaan, kunnen zich uitbreiden.

 

Waterhuishouding
Behalve vergrassing vormt ook verdroging een bedreiging voor de heide. Wil de natte dopheide overleven, dan moet de waterhuishouding in het gebied worden hersteld. Natuurmonumenten doet dit door afwateringssloten en -greppels te dempen en in overleg met het Waterschap Rijn en IJssel het peil van de Buurserbeek te verhogen. Schapen en runderen houden de heide door begrazing intact.

 

Het Witte Veen is een afwisselend gebied met natte en droge heide, ruige graslanden, poelen en bos. Tegen de grens met Duitsland ligt een klein restant hoogveen. Hier groeien de specifieke hoogveenplanten wollegras en lavendelheide. Door de afwisselende begroeiing en de aanwezigheid van turfgaten leven er ook amfibieŽn en libellen.

 

Boomkikkers
Ondanks de afwisseling in het gebied zijn amfibieŽn in aantal achteruitgegaan. Dit als gevolg van de intensieve landbouw in de directe omgeving. Door kikkerpoelen aan te leggen, ondiepe slenken te graven en struweelvorming te stimuleren, heeft Natuurmonumenten het Witte Veen weer aantrekkelijk gemaakt voor deze dieren. De boomkikker, van oudsher in grote getale aanwezig in Twente, is inmiddels teruggekeerd. De aantallen nemen geleidelijk toe en inmiddels heeft de soort zich weer door het hele gebied verspreid. In het voorjaar is het keffende geluid van de Ďroepende mannetjesí dan ook overal te horen. Ook andere soorten amfibieŽn, reptielen, vogels en insecten profiteren van deze veranderingen in het landschap. Schotse hooglanders helpen bij het beheer van het huidige Witte Veen. Deze sterke dieren kunnen het hele jaar door buiten blijven. Ze houden het gebied open, terwijl tegelijkertijd meer variatie in de plantengroei ontstaat.

 

Grenspalen
In het Witte Veen staan nog enkele oude grenspalen van Bentheimer zandsteen. Eťn ervan is te zien bij de boerderij Het Markslag. De grenspalen van voor 1795 dragen nog de oorspronkelijke inscriptie. Van sommige palen is het jaar van oprichting en het symbool van de machtsuitoefenaar nog duidelijk leesbaar. Een M staat bijvoorbeeld voor het bisdom Munster en een O voor het gewest Overijssel.

 

Kraanvogels
Het Witte Veen is erg geschikt voor trekvogels, zoals kraanvogels, om te rusten tijdens hun lange reis. In het najaar bestaat de kans dat u deze grote vogels hier ziet. Kleine groepjes van deze majestueuze vogels strijken dan soms neer om een tussenstop te maken tijden hun tocht van ScandinaviŽ naar Afrika. Ook in het voorjaar heeft u kans om ze te zien als ze terugkeren naar hun broedgebied. Vroeger broedden de kraanvogels volop in de uitgestrekte moerasgebieden van Nederland. Door de ontginning van de venen zijn deze schuwe vogels vrijwel alleen maar tijdens de trek in ons land te treffen.

 

Hoogveen
Van de uitgestrekte heidevelden die hier aan het begin van de 19e eeuw nog lagen, is niet veel meer over. Ze zijn later ontgonnen. Op de grens met Duitsland liggen vennen en in de natte veenheide komt hier en daar nog hoogveen voor. Dit zijn restanten van een groot ontoegankelijk hoogveen. Het Witte Veen vormt samen met onder andere het Aamsveen en het Haaksbergerveen een keten van hoogvenen op de Nederlands/Duitse grens. Hiervan is door de sterke ontwatering helaas niet veel meer over. Natuurmonumenten streeft naar beŽindiging van de activiteiten die de verdere verdroging veroorzaken en werkt aan herstel van de verbindingen met de andere hoogveengebieden. Het werk van Natuurmonumenten is grenzeloos. Er is regelmatig overleg met de Duitse collegaís om het beheer van de natuurgebieden aan weerszijden op elkaar af te stemmen.

 

Komt dat zien!
Gedurende het hele jaar is het een aantrekkelijk wandelgebied. In het voorjaar en de zomer is het gebied vooral aantrekkelijk door de broedvogels en bloeiende planten zoals veenpluis, eenjarig wollegras en zevenster. Ook lopen er dan kalfjes bij de Schotse hooglanders.
Ook voor andere vogelsoorten is dit natuurgebied belangrijk. Zo broeden in het Witte Veen dodaars, nachtzwaluw en roodborsttapuit. Bij het vogelkijkscherm aan de Gervinkhoekweg kunt u, afhankelijk van het seizoen, wilde eend, kuifeend, slobeend, grauwe gans, dodaars, boerenzwaluw en huiszwaluw zien. Ook heeft u kans een vos of bunzing te zien.

 

terug naar home pagina