Landgoed Lonnekermeer

 

De geschiedenis van het Lonnekermeer is relatief jong en bewogen. Het gebied lag in de uiterste noordwesthoek van de oude marke Lonneker. In het midden van de achttiende eeuw werd voor het eerst de eeuwigdurend lijkende rust op de natte heidevelden in het noorden van de marke Lonneker verstoord. Na de afscheiding van BelgiŽ lieten industriŽlen hun oog vallen op Twente om in deze streek de textielindustrie tot ontwikkeling te brengen. De bedrijvigheid kwam in een stroomversnelling nadat in 1860, pal ten noorden van het huidige Lonnekermeer, de spoorlijn Almelo-Salzbergen gereed kwam.

 

Bouwput

 

De snelle spoorverbinding naar de steenkoolmijnen in Duitsland, bracht de ontwikkeling van de Twentse industrie goed op stoom. Al gauw klaagden de bedrijven over het oponthoud, veroorzaakt door de treinen op de destijds nog gelijkvloerse kruisingen. Een sterke lobby ontstond om het spoor in knooppunt Hengelo voortaan over een hoog talud te leiden. Zo kreeg de metaalstad al snel zijn tweede station op een talud. We schrijven het jaar 1903. Waar al het noodzakelijke zand vandaan kwam? Precies. Uit een nauwelijks benutte uithoek van de gemeente Lonneker, vlak langs het spoor. De zandwinning leverde twee meren op van respectievelijk tien en zes hectare. Het landgoed Lonnekermeer was geboren!

De bouwput aan het spoor veranderde al snel in een aangename verblijfplaats. De familie Stork gaf architect Karel Muller opdracht ontwerpen te maken voor een villa, boerderij en boswachterswoning. De heidevelden werden omgeploegd tot landbouwgrond of beplant met productiebos waarin douglas en lariks overheersen. Landschapsarchitect Sprenger mocht de omgeving van het huis aanpakken. Een groot gazon verscheen, in Engelse landschapsstijl en omgeven met groepen eiken en beuken.
In de Tweede Wereldoorlog liet de bezetter zijn oog vallen op het verscholen landgoed. De commandant van het nabijgelegen vliegveld nam zijn intrek en regisseerde vanuit Lonnekermeer de uitbreiding van de militaire luchthaven tot ruim drie keer de huidige omvang.

De laatste bewoner van landgoed Lonnekermeer was de weduwe De Boer-Stork. Na haar overlijden eind 2000 besloten de erven tot verkoop van het landgoed. Precies een jaar later, in december 2001, kon de 98 hectare van het in de ecologische hoofdstructuur gelegen Lonnekermeer worden toegevoegd aan het beheer van Landschap Overijssel.

27 soorten libellen

Tot de bijzondere planten van het Lonnekermeer behoort het gesteeld glaskroos. Deze plant is in 2001 voor het eerst met een enkel exemplaar in de Bergvennen gevonden, maar laat zich in het Lonnekermeer massaal zien. Boven het water zijn 27 soorten libellen geteld. Vooral de boomvalk beschouwt de insecten als een bijzondere lekkernij. Ook voor de uiterst zeldzame oostelijke en gevlekte witsnuitlibel kent de vogel geen pardon.

 

Aan de oostzijde zijn heideveldjes te vinden met moeraswolfsklauw en kleine zonnedauw. Als de oude hooimaten worden hersteld zal een mooie hooilandvegetatie ontstaan met misschien wel orchideeŽn. Door deze inrichtingsmaatregelen wordt dit deel van het Lonnekermeer landschappelijk verbonden met het aangrenzende reservaat De Wildernis.

Zoals in het bekenlandschap te verwachten is, schieten op het landgoed af en toe ijsvogels over de paden. Op het water dobberen talrijke eendensoorten. Op het terrein zijn zes nesten van aalscholvers geteld. Deze al lang niet meer zeldzame vogel rukt langzaam op en voelt zich uitstekend thuis op het Lonnekermeer

Nadat de natuur op het landgoed zich 25 jaar in alle rust heeft kunnen ontwikkelen, neemt de bedrijvigheid weer toe. Zonder ingrijpen zullen de meren langzaam verlanden. Het beheer is gericht op behoud van het open water. Voor de cultuurgronden moet nog een keuze gemaakt worden. Is extensieve landbouw het beste? Een alternatief ligt in verschraling van het grasland.
De productiebossen zullen in de loop der tijd meer variatie krijgen door de vermenging met loofhout. Dood hout mag blijven liggen om de natuurontwikkeling een zetje te geven.

Gemengd zwemmen

Een bijzonder intermezzo vormt de naoorlogse periode toen de Arbeiders Jeugd Centrale onderdak vond op het landgoed. De frivole AJC'ers werden aandachtig in de gaten gehouden door de plaatselijke veldwachters. Vooral vanuit Weerselo bestond grote belangstelling. Dwars door het meer waar gezwommen werd, loopt de gemeentegrens van Enschede en Weerselo. De rode industriestad Enschede was wel wat gewend en haalde de schouders op over het steeds populairder wordende gemengd zwemmen. In de katholieke plattelandsgemeente Weerselo werd over het thema geheel anders gedacht en voerden de bestuurders een achterhoedegevecht tegen het zedelijk verval. Waarom de kat op het spek binden? De veldwachter kreeg opdracht nauwlettend toe te zien dat - in ieder geval aan de Weerselose zijde van het meer - geen zwemmers van beide seksen gelijktijdig te water raakten.

 

terug naar home pagina